Casa de mama op Java
- 3 jun
- 4 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 10 jul
Alsof ze niet naar een ruïne kijkt, maar naar een huis dat nog gewoon bestaat.

Een paar jaar geleden reisde mijn moeder naar Soerabaja, Java. Daar zijn zij en haar broer geboren en daar brachten ze de eerste tien jaar van hun leven door. Niet omdat ze Indonesische zijn, maar omdat mijn opa op Java gestationeerd was en voor Shell werkte.
Toen mijn moeder terugkwam van haar trip down memory lane, ging ze bij mijn oma langs. Ze liet haar de foto’s zien en samen haalden ze herinneringen op. Toen ze aankwamen bij de foto’s van het ouderlijk huis, zei mijn oma: “Dat is ons huis helemaal niet. Ons huis stond een paar honderd meter naar rechts, op nummer twintig.”
Oeps.
Sinds die uitspraak van mijn oma knaagde er iets bij mijn moeder. Wat als ze nog een keer terug kon gaan en wél het juiste huis kon bezoeken? Zou mijn oma dan nog leven? Mijn oma was inmiddels kwetsbaar. Zou er dan iets op z’n plek vallen? Hoe meer ze eraan dacht, des te groter haar verlangen werd.
En nu, precies een jaar na dato, zit ik samen met mijn moeder in het vliegtuig op weg naar Soerabaja, om dit keer wel het juiste huis op de gevoelige plaat te zetten. Mijn oma was aan haar laatste levensfase begonnen, dus er was haast geboden.
Aangekomen in Soerabaja pakken we een taxi naar het hotel. Deze stad is één grote chaos; miljoenen brommers scheuren en toeteren op snelwegen van acht banen breed, tuktuks rijden kriskras door elkaar en er staan veel, heel veel wolkenkrabbers dicht op elkaar gepakt.
De volgende ochtend regelen we een taxi die ons naar het verkeerde huis brengt. Hier stappen we uit en lopen, zoals mijn oma heeft gezegd, een paar honderd meter naar rechts. Naar nummer twintig.
We komen uit bij een roestige, bruine schutting met een smalle opening. Op de schutting staat met witte verf het getal twintig. Dat moet het zijn.
Voor de schutting zitten twee mannen op oude stoeltjes een potje te dammen. Als we bijna voor ze staan, kijken ze op en vragen ons of ze ergens mee kunnen helpen. Ik leg uit dat hier vroeger een Nederlandse compound stond en dat mijn moeder in een van die huizen is opgegroeid. Het blijkt een feest van herkenning voor de mannen. Ze werkten vroeger op de compound en weten het gezicht van mijn opa feilloos te omschrijven. Wat. Een. Toeval. Er volgt een hoop geklets in steenkolenengels tussen mijn moeder en de mannen. Ik laat ze kletsen terwijl ik alvast aanstalten maak om door de opening in de schutting naar binnen te gaan. Mijn moeder neemt afscheid van de mannen en volgt me. Met ingetrokken buiken lukt het ons maar net om door de opening te gaan.
Eenmaal achter de schutting ligt er een grote vlakte met onkruid tot aan onze heupen. Verder liggen er te pas en te onpas omgevallen bomen en moeten we oppassen voor ronddolende, hongerige zwerfhonden.
Ergens in de verte zien we een ruïne. Dat moet dan het huis zijn (geweest). Gewapend met een stok gaan mijn moeder en ik op pad. We slaan ons een weg door het hoge onkruid, ontwijken diepe gaten en houden de zwerfhonden met de stok op gepaste afstand.
Hoe dichterbij we komen, des te duidelijker de structuur van het huis te zien is. Daar staan we dan. Het ouderlijk huis van mijn moeder. Ze geeft me een rondleiding door de woonkamer, de verschillende slaapkamers, de ruimte voor de bedienden en de plaats waar het kippenhok stond. De veranda met de rieten schommelstoelen, de rustruimte en de boom waar ze met haar aapje speelde. Alsof ze niet naar een ruïne kijkt, maar naar een huis dat nog gewoon bestaat.
Vanaf de veranda kan je in de verte nog wat ruïnes zien liggen. Eén daarvan is de sociëteit, waar oma altijd piano speelde terwijl opa met zijn kornuiten zaken deed. We blijven uren bij het huis en mijn moeder vertelt me het ene verhaal na het andere. Dat de vossen ‘s nachts geregeld binnen wisten te dringen in het kippenhok en er dan een paar op aten. Dat haar aapje voor haar neus werd doodgebeten door de herdershond van de buren. Over de zes weken lange bootreis naar Rotterdam met de Holland America Line om familie in Nederland te bezoeken. En over de noodlanding met de KLM in de Tharwoestijn, op de grens van Pakistan en India, waar ze uren zonder water onder de vleugel moesten wachten op hulp. Ik luister en kijk om me heen. Naar de bomen, de stenen muren zonder dak en mijn moeder, die ineens weer een meisje lijkt.
Als de schemer valt, besluiten we om te vertrekken. Door het hoge onkruid lopen we naar de opening in de schutting. De mannen zijn weg en in een klap zijn we weer terug in de real world van hectiek, smog en getoeter. We houden een taxi aan en laten ons afzetten bij restaurant Sate Ayam Pak Seger. Tienduizend foto's, een paar stukjes baksteen én een hoop verhalen later, zitten we uitgeput maar voldaan aan onze welverdiende portie saté met als toetje pisang goreng.
Terug in Nederland rijden we vanaf Schiphol meteen door naar mijn oma en laten haar de versgeschoten foto’s zien. Ze is inmiddels te zwak geworden om nog iets te zeggen, maar bij het zien van de foto’s van het huis beginnen haar ogen te fonkelen en verschijnt er een glimlach van oor tot oor op haar gezicht. Dát was dus het goede huis. Even leek ze alles om zich heen te vergeten. In gedachten was ze weer daar.


